Een oude vrouw redde een verdrinkende wolf op het ijs, en toen alles al achter de rug was, kwamen zij uit het bos tevoorschijn… De vrouw verstijfde van schrik en kon haar ogen niet geloven.
In de bergen heerste een strenge vorst. Het meer was bijna volledig met ijs bedekt, maar op één plek bleef het water open. Juist daar spartelde de wolf. Hij was door het ijs gezakt en kon er niet meer uitkomen.

Het ijs onder zijn poten brokkelde af, hij gleed uit en verdween telkens weer in het water. Met elke minuut werd hij zwakker. Zijn kop bleef nog maar net boven het oppervlak, zijn ademhaling stokte, zijn vacht was doorweekt en trok hem naar beneden.
Een oudere vrouw liep niet ver daarvandaan om brandhout te verzamelen. Ze hoorde gespetter en een vreemd, hees geluid. Toen ze dichterbij kwam, zag ze hoe een grote grijze wolf aan het verdrinken was. Het dier was bijna gestopt met vechten.
De vrouw dacht niet aan haar angst dat ze tegenover een wild en gevaarlijk dier stond. Ze vond snel een lange, droge tak, ging op het ijs liggen om niet door te zakken en kroop voorzichtig naar het wak. Het ijs kraakte onder haar, maar ze bewoog langzaam en bedachtzaam.
— Houd vol, — zei ze zacht terwijl ze de tak uitstak.
De wolf ontblootte eerst zijn tanden, maar hij had geen kracht meer om agressief te zijn. Hij greep de stok met zijn voorpoten vast. De vrouw trok. Haar handen trilden, haar rug deed pijn, maar ze liet niet los. Het ijs kraakte opnieuw, water sloeg over de rand, en eindelijk lag het zware lichaam van de wolf op het ijs.
Het dier lag daar zwaar ademend. Eén achterpoot stond onnatuurlijk gedraaid — duidelijk gebroken. De wolf probeerde niet aan te vallen. Hij keek de vrouw alleen maar aan, alsof hij begreep dat zij zojuist zijn leven had gered.

Maar op dat moment… kwamen zij uit het bos tevoorschijn… De oude vrouw verstijfde van angst…
Ze wilde al achteruit kruipen, toen ze plotseling vreemde blikken op zich voelde rusten.
Vanuit de bomen verschenen langzaam schaduwen. In de ijzige lucht glinsterden tien paar ogen. Het was een roedel. De wolven hadden de geur van een mens geroken en naderden, klaar om aan te vallen. Ze begrepen niet dat juist deze mens hun soortgenoot uit het ijskoude water had gehaald.
De oudere vrouw bleef roerloos staan. Er was geen plek om heen te vluchten, en zelfs als die er was geweest, zou ze het niet hebben gered.
Op dat moment stond de gewonde wolf moeizaam op. Hij ging voor de vrouw staan, beschermde haar met zijn lichaam en gromde naar de roedel. Het gegrom was zwak, maar er klonk vastberadenheid in door. De wolf keek naar de anderen alsof hij duidelijk wilde maken dat deze vrouw niet mocht worden aangeraakt.
De roedel stopte. Enkele seconden bewoog niemand. Toen liet één van de wolven zijn kop zakken, en de anderen begonnen langzaam achteruit te wijken.

De gewonde wolf keek nog één keer om naar de vrouw. In zijn blik was geen angst of woede, alleen rust. Na enkele seconden draaide hij zich om en liep, licht mankend, achter zijn roedel aan.
De vrouw bleef alleen achter op het ijs. De wind joeg opnieuw sneeuw omhoog, alsof er niets was gebeurd.